11 Air Manoeuvre BrigadeDutch Air Manoeuvre Brigade
UNPROFOR
Nederlandse betrokkenheid: maart 1992 december 1995
Krijgsmachtdeel: landmacht, marine, luchtmacht, marechaussee
Totale aantal betrokken Nederlandse militairen: 9753
Achtergrond
Joegoslavië bestond ten tijde van het regime van Tito uit de deelrepublieken
Servië, Kroatië, Montenegro, Bosnië-Herzegovina, Macedonië en Slovenië. In
Servië lagen verder nog twee autonome provincies: Kosovo en Vojvodina.
Joegoslavië was hierdoor een lappendeken van bevolkingsgroepen, met ieder hun
eigen religie en cultuur. In 1974 werd de emancipatie van de deelrepublieken
bekrachtigd in de grondwet. Servië wilde, als sterkste natie, in de jaren
tachtig de Joegoslavische eenheidsstaat behouden als garantie voor het behoud
van de politieke macht en de culturele identiteit. Dit leidde tot een
onvermijdelijke botsing met Slovenië en Kroatië, die juist naar meer
onafhankelijkheid streefden. Op 25 juni 1991 verklaarden Kroatië en
buurrepubliek Slovenië zich onafhankelijk van Joegoslavië. Het Joegoslavische
federale leger (JNA) intervenieerde onmiddellijk. Om Slovenië werd weinig
gevochten, vooral omdat er dankzij de homogene bevolkingssamenstelling
nauwelijks problemen met grote minderheidsgroepen waren. De kortstondige oorlog
eindigde na bemiddeling van de Europese Gemeenschap (EG de voorloper van de EU)
op 7 juli in een staakt-het-vuren, het akkoord van Brioni.
De situatie in Kroatië was vanwege de grote Servische minderheid een stuk
complexer. Daar ontstonden dan ook hevige gevechten. Op 2 januari 1992 werd tot
een wapenstilstand besloten. Twee weken later erkende de EG Slovenië en Kroatië
als onafhankelijke staten. De Servische president Milosevic zette ondertussen
Serviërs in de deelrepubliek Bosnië met succes tegen de andere bevolkingsgroepen
op. De Bosnische Serviërs riepen op 5 januari 1992 zelfs een eigen republiek
uit. Een burgeroorlog in Bosnië-Herzegovina was hiermee onvermijdelijk geworden.
Op 21 februari 1992 keurde de Veiligheidsraad de vorming van de veertienduizend
man sterke vredesmacht UNPROFOR goed. Deze moest in Kroatië de wankele
wapenstilstand tussen Serviërs en Kroaten controleren. Na de verslechterende
situatie in Bosnië-Herzegovina besloot de Veiligheidsraad het mandaat van
UNPROFOR in aangepaste vorm uit te breiden naar deze nieuwe brandhaard.
Humanitaire hulpverlening aan de bevolking, waaronder het beschermen van
voedselkonvooien, werd hier de hoofdtaak.
In 1993 werden Moslim-enclaves in Servisch gebied die onder de voet dreigden te
worden gelopen, door de Veiligheidsraad onder bescherming van de VN gesteld, de
zogenoemde safe areas. Op 4 juni van dat jaar kreeg UNPROFOR ruimere
bevoegdheden om deze veilige gebieden te beschermen. Voor het eerst mocht ze
geweld gebruiken bij het uitvoeren van haar mandaat. Later mochten ook
NAVO-vliegtuigen het personeel beschermen met behulp van luchtsteun.
Deze "peacekeeping" missie eindigde in 1995. Nadat Bosnische Serviërs een
bloedige beschieting uitvoerden op de markt van Sarajevo, strafte de NAVO hen af
met een militaire actie. Dit twee weken durende grond- en luchtoffensief,
operatie Deliberate Force genaamd, bracht de strijdende partijen uiteindelijk
naar de onderhandelingstafel in Dayton. De daar gesloten akkoorden vormen de
basis van de huidige situatie in Bosnië-Herzegovina en leidden tot nieuwe
internationale vredesmachten zoals de Interim Force (IFOR), van eind 1995 tot
eind 1996, en de Stabilization Force (SFOR), die sinds eind 1996 in
Bosnië-Herzegovina ontplooid is.
Nederlandse bijdrage
De Nederlandse militaire bijdrage voor UNPROFOR bestond uit de volgende
onderdelen en eenheden, waarbij het personeel doorgaans om de zes maanden werd
afgelost:
Hoofdkwartier UNPROFOR
Het aantal Nederlandse militairen in de staf en stafcompagnie van UNPROFOR -
vanaf 1 april 1995 UNPF - steeg van 18 militairen in november 1992 tot 60
militairen in augustus 1994 en daalde daarna naar 49. Naast administratief en
ondersteunend personeel was er bij het hoofdkwartier ook een groep van tien
marechaussees ingedeeld die deel uitmaakten van het zogenoemde MP-peloton. Zij
hielden zich vooral met verkeerscontroles bezig. Het aantal marechaussees
varieerde door de jaren heen afhankelijk van het aantal uitgezonden Nederlandse
militairen in het gebied.
Hoofdkwartier BH-command
Een van de onderdelen van UNPROFOR was het commando voor Bosnië-Herzegovina met
hoofdkwartier in Sarajevo. Bij het hoofdkwartier van dit zogenoemde "BH-command"
werkten zo'n vijftig tot zestig Nederlandse militairen. In november 1992 werd
een transportpeloton opgericht, waarvoor ons land tien chauffeurs leverde.
Hoofdkwartier Sector North-East
Per 1 maart 1994 werd het gebied van BH-command opgedeeld in drie sectoren. Ons
land droeg aan het hoofdkwartier van de Sector North-East in de plaats Tuzla bij
met een tiental militairen in verschillende functies.
Contingentscommando UNPROFOR/UNPF
In september 1992 besloot Defensie een contingentscommandant te benoemen voor de
behartiging van de Nederlandse belangen en die van alle militairen die zich in
het gebied. De functie werd uitgeoefend door een opperofficier (kolonel of
generaal) van de VN-vredesmacht.
1(NL) VN Verbindingsbataljon
Op 28 februari 1992 besloot de regering tot de oprichting van het 1(NL) VN
Verbindingsbataljon. Dit zorgde binnen de VN-vredesmacht voor de verbindingen
van de deelnemende eenheden. Bij ieder van de infanteriebataljons, het
geniebataljon en de sectorhoofdkwartieren werden Nederlandse communicatiecentra
geplaatst van steeds elf militairen. Het verbindingsbataljon had een
overkoepelend hersteldetachement, een bevoorradingsgroep en een klein
marechausseedetachement binnen de gelederen. De uitbreiding van het
UNPROFOR-gebied met Bosnië-Herzegovina betekende dat ook de in deze regio
ontplooide infanteriebataljons een Nederlandse verbindingscel kregen. Doordat de
VN in maart 1994 begonnen met de invoering van nieuwe
satellietcommunicatieapparatuur, werd het Verbindingsbataljon gefaseerd
teruggetrokken en op 1 september formeel opgeheven.
1(NL/BE) VN Transportbataljon en 1(NL/BE) VN Logistiek en Transportbataljon
Eind 1992 besloten de Nederlandse en Belgische regering om een gezamenlijke
transporteenheid naar Bosnië te sturen. Deze zou de ruggengraat van de
humanitaire hulpverlening van UNPROFOR moeten worden. Het 1 (NL/BE) VN
Transportbataljon, bestond aanvankelijk uit twee Nederlandse
transportcompagnieën van elk 170 man, één Belgische transportcompagnie van 100
man en een Nederlandse staf, staf- en verzorgingscompagnie van in totaal 120
militairen. Het bataljon werd in de Bosnisch-Kroatische plaatsen Busovaca en
Santici gestationeerd. De militairen verrichten hun werkzaamheden onder zeer
moeilijke omstandigheden, omdat de strijdende partijen herhaaldelijk het vuur
openenden op de vrachtwagens. Ook werd de kampementen, die zich in de frontlinie
van de strijd tussen de Bosnische Kroaten en moslims bevonden, met een zekere
regelmatig getroffen door afzwaaiers. Dit was vooral tussen april 1993 en
februari 1994 het geval. Eind 1994 rechtvaardigde een geringere
transportbehoefte de terugtrekking van één Nederlandse compagnie. Het resterende
deel van het bataljon fuseerde met het Support Command in Lukavac tot een nieuw
1(NL/BE) VN Logistiek en Transportbataljon. Deze reorganisatie kreeg eind maart
1995 haar beslag.
1(NL) VN Infanteriebataljon (Dutchbat)
In september 1993 bood de Nederlandse regering de Verenigde Naties aan om
gedurende anderhalf jaar een luchtmobiel infanteriebataljon te leveren met een
bijbehorende logistieke component. Daarbij ging het om "Dutchbat" met
bijbehorend "Support Command", een totaal van bijna 1200 militairen. Ondanks een
Nederlandse voorkeur voor inzet in Centraal-Bosnië, besloot de leiding van
BH-command dat Dutchbat in Srebrenica een Canadese compagnie zou aflossen. De
kern van het bataljon, dat begin 1994 in Bosnië arriveerde, bestond uit 550
militairen van de Luchtmobiele Brigade. Van de Nederlandse afvaardiging maakten
verder onder meer nog een detachement van de Explosieven Opruimingsdienst, een
verkenningspeloton van het Korps Commandotroepen en vier Bo-105CB helikopters
van de luchtmacht deel uit. De eerste groep van 155 militairen trok op 1 maart
1994 Srebrenica binnen. (Één compagnie van de opvolgende bataljons zou overigens
steeds in Simin Han bij Tuzla worden gelegerd.) Het helikopterdetachement kreeg
van de Bosnische Serviërs geen toestemming naar Srebrenica te vliegen en streek
in Lukavac, waar ook het Support Command was gevestigd, neer. Omdat het zijn
beoogde missie door de Bosnisch-Servische weigering niet kon vervullen, werd het
in september 1994 teruggetrokken. Gedurende de tijd dat Nederlandse militairen
in Srebrenica waren gelegerd, dwarsboomden de Bosnische Serviërs de transporten
van en naar de enclave met een zekere regelmaat. Ten tijde van Dutchbat III, dat
op 18 januari 1995 de taken in Srebrenica overnam, vonden onder meer
NAVO-bombardementen op de Bosnisch-Servische hoofdstad Pale plaats. In reactie
hierop sloten de Bosnische Serviërs op 26 mei 1995 Srebrenica hermetisch af van
de buitenwereld. Ook namen ze op 3 juli in het zuiden van de enclave de
Nederlandse observatiepost Echo in. Op 6 juli vormde het zuiden opnieuw het
doelwit van een offensief. In eerste instantie dacht UNPROFOR dat de aanval
beperkt was, maar binnen enkele dagen liepen de Bosnische Serviërs het hele
gebied onder de voet. Op de avond van 11 juli 1995 was de val van Srebrenica een
feit. Er volgde een slachtpartij op een schaal die Europa sinds de Tweede
Wereldoorlog niet meer had gezien. De vrouwen en kinderen werden overgebracht
naar Moslim-gebied in Centraal-Bosnië, maar de Bosnische Serviërs voerden de
moslimmannen van weerbare leeftijd af en brachten hen allen om het leven.
Dutchbat verliet de enclave op 21 juli 1995 en keerden via Zagreb naar Nederland
terug.
De Nederlandse regering besloot op 7 juni 1995 tot deelname aan de Frans-Britse
Rapid Reaction Force (RRF) met een versterkte mortiercompagnie van het Korps
Mariniers, een mortieropsporingsradareenheid van de Koninklijke Landmacht en zes
staffunctionarissen. In totaal ging het om 186 militairen). De RRF werd
ontplooid op de berg Igman bij Sarajevo en nam van daar af deel aan operatie
Deliberate Force. Deze operatie, waaraan met name de NAVO-luchtmachten - ook
Nederlandse F-16's - deelnamen, was een reactie op een bloedige beschieting van
de markt in Sarajevo door de Bosnische Serviërs en duurde twee weken.
Afgezien van de hierboven genoemde onderdelen en eenheden die deel uitmaakten
van UNPROFOR was er nog meer Nederlandse betrokkenheid. Zo werden waarnemers op
individuele basis uitgezonden als zogenoemde UNMO (United Nations Military
Observer). Deze opereerden in Kroatië, Bosnië en Macedonië, vaak onder zeer
moeilijke omstandigheden. Een groot aantal UNMOs kreeg van de Bosnisch Serviërs
bijvoorbeeld huisarrest of werd zelfs gegijzeld.
De logistieke ondersteuning van UNPROFOR gebeurde vanuit Split en Zagreb in
Kroatië. Met het oog hierop plaatste ons land eenheden in beide steden.
Tot slot zij nog vermeld dat het vliegveld van de Bosnische stad Tuzla in
1994-1995 enige tijd door Nederlands luchtmachtpersoneel in bedrijf werd
gehouden ten behoeve van UNPROFOR en dat de Koninklijke Marechaussee op 29
november 1993 tien onbewapende personeelsleden naar voormalig-Joegoslavië
uitzond in het kader van United Nations Civilian Police - UNCIVPOL. Dit
onderdeel van UNPROFOR controleerde de lokale politieagenten die vaak partijdig
waren. UNCIVPOL werd in februari 1996 opgevolgd door de United Nations
International Police Task Force (UNIPTF).
Bij de Nederlandse inzet in het kader van UNPROFOR kwamen zeven Nederlandse
militairen om het leven, daarnaast viel een aantal gewonden.